annex 10 – noot 565

                   Gekroonde en gelauwerde hoofden

Tekst van Ruyslincks toespraak op 31 januari 1985, in aanwezigheid van Koning Boudewijn en Koningin Fabiola en van tientallen Vlaamse kunstenaars die door de Gemeenschapsminister van Cultuur, Karel Poma, gehuldigd werden.

Het onheilspellende Orwelljaar 1984, het op hol geslagen stokpaardje van de media, behoort nu definitief tot het verleden en ik heb de indruk dat velen onder ons opgelucht ademhalen: de gevreesde Grote Broer is niet op het scherm van de nationale zenders verschenen, van de Ministeries van Liefde en Waarheid moet de eerste steen nog worden gelegd, en alleen een geëxalteerde geest zou durven beweren dat hij in het voorbije kalenderjaar door de Dunkpolitie in zijn intimiteit werd bespied. De literaire antiutopie is een Cassandravisioen gebleken. 1984 was misschien niet het voorspoedigste en vreedzaamste jaar uit ons naoorlogs bestaan, maar het was ook niet het somberste en verdrietigste. We hebben alle redenen om geloof te hechten aan wat Barbara Tuchman constateert in haar inleiding tot A distant mirror (bij ons beter bekend als De waanzinnige 14de eeuw[1]) : «Als onze laatste tien of twintig jaar met hun ineenstortende zekerheden een periode van ongewoon onbehagen is geweest, is het geruststellend te weten dat het menselijk ras ergere tijden te boven is gekomen.»

Hoe dan ook, de vaststelling dat hier, onder de hoge bescherming van twee gekroonde hoofden, zoveel gelauwerde hoofden bij elkaar zijn is op zichzelf al een geruststellend feit. 1984 moet een bijzonder creatief jaar zijn geweest, en creativiteit, op welk terrein ook, is de gist van een progressieve, op de toekomst gerichte samenleving. Een natie, die de creativiteit aanmoedigt en honoreert, bevestigt haar wil tot vrije ontplooiing, tot openheid, tot pluralisme, en indirect haar verzet tegen de repressieve krachten die in Orwells angstwekkend visioen worden opgeroepen. De aanwezigheid in dit auditorium van zoveel laureaten uit verschillende disciplines en van zulke uiteenlopende levensbeschouwelijke opvattingen betekent immers, bij nadere overweging, dat de schrijver, de kunstenaar in dit land in de benijdenswaardige mogelijkheid verkeert om vrij en onbevangen te getuigen van zijn persoonlijk geloof, zijn ethische en artistieke inzichten, zijn politieke overtuiging, zijn verlangens, zijn ongenoegen en zijn verontwaardiging. Ik noem die mogelijkheid benijdenswaardig omdat ik een paar jaar terug in een rapport van Amnesty International heb gelezen, dat België tot de hooguit vierentwintig landen in heel de wereld behoort waar een schrijver nog de kans krijgt om te zeggen en te schrijven wat hij denkt zonder te worden opgepakt, gefolterd en geëxecuteerd. Laten we ons dus niet al te gefrustreerd en miskend voelen omdat we in dit kleine land leven dat, omringd door grotere en gezaghebbender cultuurgebieden, zo zelden gehoor vindt buiten de grenzen. Wij zijn in ieder geval in onze scheppende behoeften niet afhankelijk van staatsdoctrines, van de gunsten van een autocratisch apparaat, van de richtlijnen van een Ministerie van Liefde of een Ministerie van Waarheid. Wij zijn, ook in onze kritische visie op de maatschappij, de individuele vertolkers van Liefde en Waarheid. Die Waarheid neemt verschillende gedaanten aan en wortelt in zeer verschillende, vaak controversiële persoonlijke belijdenissen, maar ook dat is een boeiend gegeven en een waarborg voor het behoud van de pluralistische structuur in een democratisch bestel. Omdat er niet zoiets als een algemeen geldende waarheid bestaat, ontleent elke waarheid per definitie haar geloofwaardigheid aan individuele waarden en beginselen, geïnspireerd door afkomst, opvoeding, milieu en erfelijke determinanten. Ik vrees dat wij, als we verdraagzaam willen zijn en bijdragen tot de verwezenlijking van een leefbare, humane gemeenschap, ons met deze menselijke en artistieke beperking zullen moeten leren verzoenen. En omgekeerd is individualisme, zoals Saul Bellow terecht in een van zijn romans opmerkt, «volmaakt oninteressant als het geen verlengstuk van de waarheid is». Ook hiermee zullen we rekening moeten houden als we ons de ontgoocheling willen besparen die Bertrand Russell heeft opgelopen. «Ik was vreselijk teleurgesteld», schreef Russell in zijn autobiografie, «toen ik tot de vaststelling kwam dat de intellectuelen meer bekommerd zijn om hun populariteit dan om de waarheid.»

En wat de Liefde betreft : hoezeer dit woord, ook in de niet-christelijke context, besmet is met de vooroordelen van een horizontalistische maatschappij die het sentiment en de innigheid afwijst, het ziet ernaar uit dat de liefde, net als onze economie, in de tweede helft van de jaren tachtig aan een licht herstel toe is na de crisis die haar in de vorige decennia heeft verlamd. Dit is misschien nog niet zo duidelijk zichtbaar in de literatuur, die momenteel vooral belangstelling schijnt te hebben voor de middeleeuwen, maar wel in het dagelijks wegverkeer. De eindeloos gevarieerde liefdes verklaringen op de achterruit van auto’s zijn een verbazend en in zekere zin bemoedigend fenomeen. Het zijn niet altijd verheven voorbeelden van onbaatzuchtige liefde, maar naast horizontale leuzen als Ik houd van skiën, I like jogging en Ik houd van hengelsport treft men ook wel eens verticaler getuigenissen aan als I love my wife en Ik houd van toneel. Ik weet niet of de sociologen en psychologen zich al met dit verschijnsel hebben beziggehouden, maar het zou me niet verwonderen als ze hierin de uiting van een verdrongen behoefte aan gevoelswarmte zagen, een soort collectieve verzuchting, een verlangen misschien naar een ideëlere levensinhoud. «All you need is love» zongen The Beatles achttien jaar geleden; misschien is de huidige manifestatie van sticker-love een late echo daarvan, maar het zou ook het begin van een maatschappelijke bewustwording kunnen zijn die uiteindelijk de oprichting van een ministerie van Liefde overbodig en onmogelijk maakt. Zo hebben wij het liever. Wij, muzische alchemisten, hebben onze eigen manier om liefde en waarheid, onmacht en verdriet in goud te veranderen. Hoe wij dat doen heeft de Nederlandse dichter Guillaume van der Graft voortreffelijk geformuleerd: «Uit gebrek scheppen wij, uit gemis hebben wij lief, uit onmacht brengen wij vrucht voort.»

Misschien mag ik me ten slotte als senior nog even tot de jongere generatie van scheppende kunstenaars richten met een korte bespiegeling die min of meer aansluit bij wat voorafgaat . Ik ben zelf in de jaren zestig, een generatie geleden, een jonge, onstuimige wereldverbeteraar geweest, die zich mee geroepen voelde om een aantal traditionele waarden in vraag te stellen. Zo hoort het, ik schaam me daar niet voor en ik denk er ook niet aan die geëngageerde periode in mijn leven te verloochenen. Alle vooruitgang hangt immers voor een groot deel af van het engagement van kritische mensen, die weigeren zich aan te passen aan een onvolmaakte werkelijkheid. Dat de behoefte aan liefde daarbij wel eens wordt opgeofferd aan de drang naar waarheid is een betreurenswaardig feit, maar maatschappelijke veranderingen voltrekken zich nu eenmaal niet zonder voortvarendheid, en ook niet zonder vergissingen. Ondertussen, nu ik een kwarteeuw ouder ben geworden, heb ik geleerd dat de geschiedenis een zich voortdurend herhalend proces van afbraak en wederopbouw is, van stilstand en versnelling. Die versnelling is soms, zoals in onze dagen, zo duizelingwekkend dat het lijkt of we ijllings naar nergens gaan. Het volstaat dus niet alleen af te breken, wij moeten ook op geestelijk gebied een gezond saneringsbeleid voeren en in de plaats van het oude, het onbruikbare, nieuwe (liefst betere, hogere) waarden creëren. Daar zijn we op dit moment nog niet zo daadwerkelijk mee bezig. Ik heb de indruk dat de jongeren van vandaag zich in de zeer kritische fase tussen afbraak en wederopbouw bevinden, en zij dragen dus een grotere verantwoordelijkheid dan wij, slopers en beeldstormers. Van hun elan, hun ethos, hun constructief idealisme zal het welzijn van de komende generaties afhangen. Dat zal geen gemakkelijke opgave zijn. Ik wil ze de waarschuwing die Konrad Lorenz in zijn boek De acht doodzonden van de beschaafde mensheid heeft geformuleerd niet onthouden: «Ook bij alle hechte structuren brengt de afbraak die ter wille van iedere reconstructie noodzakelijk is, bepaalde gevaren met zich mee, omdat tussen afbraak en wederopbouw onvermijdelijk een periode van kwetsbaarheid en weerloosheid ligt. Dat is bij de kreeft die haar schaal afwerpt en bij de mens in zijn puberteit op analoge wijze het geval.»

Ik ben ervan overtuigd dat wij, zodra we een vastere greep op de ingewikkelde werkelijkheid krijgen, ook deze periode van kwetsbaarheid en weerloosheid te boven zullen komen, zoals wij alle andere crisissen in het recente en verre verleden te boven zijn gekomen. De beruchte leus uit de jaren zestig, we shall overcome, is misschien nooit zo zinvol geweest als vandaag.[2]

[1] A Distant Mirror (1978) van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman (in 1980 vertaald door J.C. Sliedrecht-Smit en J. Spaans-Van der Bijl: De waanzinnige veertiende eeuw). Ruyslinck heeft dit werk begin jaren 80 gelezen en het heeft hem voortdurend beziggehouden. Regelmatig citeerde hij hieruit in lezingen en voordrachten. Hij gebruikte het ten slotte in zijn laatste roman Traumachia.
(Zie ook noot 677.)
‘Geen tijd was van nature waanzinniger dan deze tijd [de 14e eeuw],’ schreef de negentiende-eeuwse Franse historicus Michelet over de veertiende eeuw, het herfsttij der Middeleeuwen. Het einde der tijden lijkt nabij: viermaal wordt het werelddeel getroffen door de Zwarte Dood. De koningen van Engeland en Frankrijk bestrijden elkaar in een wrede en langdurige strijd, de Honderdjarige Oorlog, en roversbenden terroriseren de boerenbevolking. De veertiende eeuw is ook een periode van vitaliteit en culturele bloei, waarin de adel zijn heldendaden in ridderromans laat optekenen, de hoofse liefde in velerlei toonaarden wordt bezongen en waarin schrijvers als Boccaccio (Decamerone), Petrarca (‘magnus poeta et historicus’) en Chaucer (Canterbury Tales) de grondslag leggen voor een grote literaire traditie.
Met het leven van de Franse ridder Enguerrand VII van Coucy als concentratiepunt voert Tuchman de lezer door dit kleurrijke tijdperk en houdt zij onze tijd vanuit de verte een spiegel voor.

[2] Ruyslincks constateringen:
‘Het menselijk ras is ergere tijden te boven gekomen.’ en
‘De leus we shall overcome is misschien nooit zo zinvol geweest als vandaag.’
zijn 35 jaar later in de ‘corona-tijd’ van 2020 evenzeer van toepassing.