Voorwoord

voor Week-end, het fotoboek met kinderportretten, van Georges-Charles Vanrijk.

Mijn vader, die een gepassioneerd amateurfotograaf was, heeft me als kind vaak in zijn lens gevangen. Dat betekende in de jaren dertig eindeloos poseren: een halfuur of langer, en daar had ik een gruwelijke hekel aan. In geduldig en roerloos opzitten als een hondje scheppen kinderen nu eenmaal weinig vermaak. Het resultaat was dan ook meestal een op zijn zondags uitgedost jongetje met een lege, verveelde blik en een obligate glimlach. ‘Naar het vogeltje kijken en glimlachen!’ heette het dan.

Ook vandaag, nu de opvattingen over de portretfoto en de benadering van het object radicaal veranderd zijn, blijft het nog steeds een moeilijke opgave kinderen te fotograferen. Kinderen verhouden zich immers anders tot de buitenwereld dan volwassenen. Ze zijn niet alleen minder ‘gewillig’, maar ook minder communicatief. Zij leven in hun eigen, door eigen wetten en regels beheerste verbeeldingswereld.

Dat heeft Georges-Charles Vanrijk, die als ervaren modefotograaf heel wat piepjonge mannequins naar zijn meesterhand wist te zetten, uiteraard heel goed begrepen. Op een handige manier heeft hij gebruik gemaakt van de methode die door ontwikkelingspsychologen wordt aangewend om het gedrag van kinderen in de natuurlijke omgang met elkaar te observeren: hij heeft zijn objecten van beiderlei kunne gedurende een week-end in een ‘spelkamer’ (in dit geval een ‘spelhuis’) samengebracht en ze de gelegenheid gegeven om zich in alle mogelijke, spontane expressievormen uit te leven. Aldus is hij erin geslaagd de meest gevarieerde gevoelsregisters van het zogenaamd moeilijk toegankelijke kind in boeiende, niet zelden verrassende shots vast te leggen: verwondering, wantrouwen, blijheid, schuchterheid, verveling, ondeugendheid, puberale nieuwsgierigheid. Al die kleine mensjes, volwassenen in wording, werden door Vanrijk geduldig ‘bespied’ en tot in hun intrinsieke eigenschappen en motivaties zichtbaar gemaakt.

Bij het bekijken van deze foto’s moest ik aan een gedicht van Hans Andreus denken:

Kinderen
horen aan
het licht

en dat zit nog goed in
hun handen en voeten

en hun buik
en hun hoofd

ze gaan er dagelijks mee om
zolang er niemand tussen komt

die er met een boos
oog
niet in gelooft.’

George-Charles Vanrijk gelooft er wel degelijk in, dat voel je instinctief aan, en zijn oog is niet boos, maar kinderlijk medeplichtig. Dat verklaart wellicht het opmerkelijke succes van zijn opzet.

Ward Ruyslinck (1991)